Hoeveel massa heeft mijn massakachel nodig?
Geplaatst: 09 nov 2017, 22:47
Discussiestuk.
Inleiding
Een (massa)kachel bouw je om je huis te verwarmen. Daarbij zoek je naar een compromis tussen schone verbranding, niet (te) vaak stoken / bijvullen, en een acceptabel binnenklimaat (binnen bepaalde temperatuurs-grenzen).
Je kachel heeft eigenschappen (traagheid, vermogen, oppervlak, kg hout per batch etc), maar het huis waar de kachel in staat heeft ook eigenschappen (isolatiewaarden, warmtecapaciteit, zoninval etc).
Dit schrijven is een zoektocht naar inzicht in het dimensioneren van een kachel n.a.v. eigenschappen van het te verwarmen huis.
Warmtevraag
Het nederlands klimaat is tamelijk wispelturig. De ene dag warm, de volgende dag koud. In onderstaande grafiek heb ik van 3 wintermaanden de temperatuur op de 15e getekend. Gewoon om een beeld van de variaties te krijgen. Je ziet dat het temperatuursverloop geen mooie regelmatige golf is.
De buitenmuur en binnenmuur van een huis hebben een behoorlijke warmte-traagheid. Dat wil zeggen dat de isolatie in de muur niet direct de temperatuur van de buitenlucht “voelt”: dat duurt een paar uur. Die traagheid verschuift de grafiek naar rechts (naar een paar uur later), en vlakt intussen een beetje af. In de onderstaande grafiek is de traagheid van 15 februari weergegeven. De verliezen door de isolatie heen gaan het huis uit, dus zijn in de schaal negatief gezet. Ons huis heeft bij die temperatuur een gemiddeld verlies van ca 1000W, dus heb ik de curve daar getekend. Bij een buitentemperatuur van 20 graden is er geen temperatuursverschil, en dus geen isolatie-verlies. Als de kachel elk moment van de dag precies evenveel vermogen het huis in stuurt als de transmissieverliezen van dat moment het huis uit gaan, dan zal de binnentemperatuur precies gelijk blijven. Maar als er een verschil is, dan gaat de temperatuur in de kamer veranderen. De snelheid waarmee het huis opwarmt/afkoelt is afhankelijk van hoe groot het verschil-vermogen is, en hoeveel warmtecapaciteit het huis heeft. Hoe grote de warmtecapaciteit van de kamer is, hoe trager een temperatuurs-verandering zal verlopen.
Een huis heeft ramen, en ook in de winter schijnt de zon. De hoeveelheid energie die er door de ramen naar binnen schijnt, verandert met de seizoenen. In deze grafiek staan de gemiddelde maandhoeveelheden voor noord- en zuidramen. (de waarde van augustus is waarschijnlijk een typefout van de grafiek-maker; de site waar dit plaatje vandaan komt was niet bepaad voutloos...) Als we deze hoeveelheid energie in de grafiek tekenen (omgerekend naar uren van de dag dat de zon schijnt, en oppervlak van de ramen) dan ziet de grafiek er als volgt uit: De zwarte lijn geeft weer hoeveel energie er gedurende de dag het huis uit gaat. Als de zon schijnt, dan warmt het huis zelfs even op zonder kachel! Overigens schijnt de zon ook op de zuidmuren, waardoor deze opwarmen en de isolatieverliezen nog kleiner worden.
Stel dat we een kachel hebben die gedurende de hele dag een vermogen van 1200W afgeeft. Een hele trage kachel, of een kachel die we continu stoken. Dit vermogen is in de grafiek weergegeven als een rode lijn bij +1200W. We berekenen een nieuwe lijn (zwart) door de groene, gele en rode bij elkaar op te tellen. Dan ziet het plaatje er zo uit: Tot een uur of 8 warmt het huis iets op/koelt iets af. Maar zodra de zon gaat schijnen, komt er behoorlijk wat energie teveel het huis in. De zon gaat vervolgens onder (dus de zwarte lijn gaat ook naar beneden) maar omdat de transmissieverliezen intussen kleiner zijn geworden komt de zwarte lijn een stuk boven 0W uit. Het huis is bezig op te warmen.
Het oppervlak tussen de zwarte lijn en de 0W-lijn (“B” in de tekening) geeft de hoeveelheid energie weer die extra in het huis is gaan zitten. (Oppervlak van deze grafiek is vermogen*tijd = energie). Je kan uitrekenen wat de warmtecapaciteit van de kamer/huis is, en daarmee de hoeveelheid opwarming.
Een kachel met veel massa is traag, en levert dus een behoorlijk constant vermogen af over de dag. Dat levert tekorten op bij het opstarten (het duurt namelijk een tijd voordat de kachel warm wordt), en levert overschotten op overdag, zeker als er veel zon-instraling is. Een voordeel van veel massa is dat je maar weinig keren de kachel aan hoeft de doen.
Als het huis veel warmtecapaciteit heeft, dan zal dat overschot aan vermogen leiden tot een kleine temperatuurs-verandering. Maar omgekeerd: als het huis weinig warmtecapaciteit heeft, dan gaat de temperatuur snel omhoog/omlaag. Samenvattend:
1. Als een huis goed geisoleerd is, stook je (gemiddeld op een dag) minder kg hout per dag dan een slecht(er) geisoleerd huis.
2. Als een huis een kleinere warmtecapaciteit heeft (bijv. houtskelet), warmt het huis sneller op bij een vermogen-overschot dan een huis met grote warmtecapaciteit (stenen huis)
3. Als een huis veel op het zuiden gerichte ramen heeft, zijn de fluctuaties in inkomend vermogen groter dan een huis met weinig zuidgerichte ramen.
Het huis waar ik een kachel voor kies is een zeer goed geisoleerd huis met veel ramen op het zuiden en met weinig warmtecapaciteit.
Stelling 1 geeft geen reden om te kiezen voor veel of weinig massa. Wel dat een kleinere vuurkern voldoet.
Stelling 2 geeft aan dat een houtskelet huis beter af is met een lichtere, snellere kachel om vermogens-overschotten klein te houden
Stelling 3 geeft aan dat een huis met veel op het zuiden gerichte ramen beter af is met een lichtere, snellere kachel om in te kunnen spelen op de grote fluctuaties in inkomend vermogen.
Binnenkort ga ik wat proberen te rekenen. Het afgevend vermogen van een bell is koffiedik kijken, maar we zullen zien waar het schip gaat stranden... Tot zover was het in elk geval een nuttige exercitie.
Inleiding
Een (massa)kachel bouw je om je huis te verwarmen. Daarbij zoek je naar een compromis tussen schone verbranding, niet (te) vaak stoken / bijvullen, en een acceptabel binnenklimaat (binnen bepaalde temperatuurs-grenzen).
Je kachel heeft eigenschappen (traagheid, vermogen, oppervlak, kg hout per batch etc), maar het huis waar de kachel in staat heeft ook eigenschappen (isolatiewaarden, warmtecapaciteit, zoninval etc).
Dit schrijven is een zoektocht naar inzicht in het dimensioneren van een kachel n.a.v. eigenschappen van het te verwarmen huis.
Warmtevraag
Het nederlands klimaat is tamelijk wispelturig. De ene dag warm, de volgende dag koud. In onderstaande grafiek heb ik van 3 wintermaanden de temperatuur op de 15e getekend. Gewoon om een beeld van de variaties te krijgen. Je ziet dat het temperatuursverloop geen mooie regelmatige golf is.
De buitenmuur en binnenmuur van een huis hebben een behoorlijke warmte-traagheid. Dat wil zeggen dat de isolatie in de muur niet direct de temperatuur van de buitenlucht “voelt”: dat duurt een paar uur. Die traagheid verschuift de grafiek naar rechts (naar een paar uur later), en vlakt intussen een beetje af. In de onderstaande grafiek is de traagheid van 15 februari weergegeven. De verliezen door de isolatie heen gaan het huis uit, dus zijn in de schaal negatief gezet. Ons huis heeft bij die temperatuur een gemiddeld verlies van ca 1000W, dus heb ik de curve daar getekend. Bij een buitentemperatuur van 20 graden is er geen temperatuursverschil, en dus geen isolatie-verlies. Als de kachel elk moment van de dag precies evenveel vermogen het huis in stuurt als de transmissieverliezen van dat moment het huis uit gaan, dan zal de binnentemperatuur precies gelijk blijven. Maar als er een verschil is, dan gaat de temperatuur in de kamer veranderen. De snelheid waarmee het huis opwarmt/afkoelt is afhankelijk van hoe groot het verschil-vermogen is, en hoeveel warmtecapaciteit het huis heeft. Hoe grote de warmtecapaciteit van de kamer is, hoe trager een temperatuurs-verandering zal verlopen.
Een huis heeft ramen, en ook in de winter schijnt de zon. De hoeveelheid energie die er door de ramen naar binnen schijnt, verandert met de seizoenen. In deze grafiek staan de gemiddelde maandhoeveelheden voor noord- en zuidramen. (de waarde van augustus is waarschijnlijk een typefout van de grafiek-maker; de site waar dit plaatje vandaan komt was niet bepaad voutloos...) Als we deze hoeveelheid energie in de grafiek tekenen (omgerekend naar uren van de dag dat de zon schijnt, en oppervlak van de ramen) dan ziet de grafiek er als volgt uit: De zwarte lijn geeft weer hoeveel energie er gedurende de dag het huis uit gaat. Als de zon schijnt, dan warmt het huis zelfs even op zonder kachel! Overigens schijnt de zon ook op de zuidmuren, waardoor deze opwarmen en de isolatieverliezen nog kleiner worden.
Stel dat we een kachel hebben die gedurende de hele dag een vermogen van 1200W afgeeft. Een hele trage kachel, of een kachel die we continu stoken. Dit vermogen is in de grafiek weergegeven als een rode lijn bij +1200W. We berekenen een nieuwe lijn (zwart) door de groene, gele en rode bij elkaar op te tellen. Dan ziet het plaatje er zo uit: Tot een uur of 8 warmt het huis iets op/koelt iets af. Maar zodra de zon gaat schijnen, komt er behoorlijk wat energie teveel het huis in. De zon gaat vervolgens onder (dus de zwarte lijn gaat ook naar beneden) maar omdat de transmissieverliezen intussen kleiner zijn geworden komt de zwarte lijn een stuk boven 0W uit. Het huis is bezig op te warmen.
Het oppervlak tussen de zwarte lijn en de 0W-lijn (“B” in de tekening) geeft de hoeveelheid energie weer die extra in het huis is gaan zitten. (Oppervlak van deze grafiek is vermogen*tijd = energie). Je kan uitrekenen wat de warmtecapaciteit van de kamer/huis is, en daarmee de hoeveelheid opwarming.
Een kachel met veel massa is traag, en levert dus een behoorlijk constant vermogen af over de dag. Dat levert tekorten op bij het opstarten (het duurt namelijk een tijd voordat de kachel warm wordt), en levert overschotten op overdag, zeker als er veel zon-instraling is. Een voordeel van veel massa is dat je maar weinig keren de kachel aan hoeft de doen.
Als het huis veel warmtecapaciteit heeft, dan zal dat overschot aan vermogen leiden tot een kleine temperatuurs-verandering. Maar omgekeerd: als het huis weinig warmtecapaciteit heeft, dan gaat de temperatuur snel omhoog/omlaag. Samenvattend:
1. Als een huis goed geisoleerd is, stook je (gemiddeld op een dag) minder kg hout per dag dan een slecht(er) geisoleerd huis.
2. Als een huis een kleinere warmtecapaciteit heeft (bijv. houtskelet), warmt het huis sneller op bij een vermogen-overschot dan een huis met grote warmtecapaciteit (stenen huis)
3. Als een huis veel op het zuiden gerichte ramen heeft, zijn de fluctuaties in inkomend vermogen groter dan een huis met weinig zuidgerichte ramen.
Het huis waar ik een kachel voor kies is een zeer goed geisoleerd huis met veel ramen op het zuiden en met weinig warmtecapaciteit.
Stelling 1 geeft geen reden om te kiezen voor veel of weinig massa. Wel dat een kleinere vuurkern voldoet.
Stelling 2 geeft aan dat een houtskelet huis beter af is met een lichtere, snellere kachel om vermogens-overschotten klein te houden
Stelling 3 geeft aan dat een huis met veel op het zuiden gerichte ramen beter af is met een lichtere, snellere kachel om in te kunnen spelen op de grote fluctuaties in inkomend vermogen.
Binnenkort ga ik wat proberen te rekenen. Het afgevend vermogen van een bell is koffiedik kijken, maar we zullen zien waar het schip gaat stranden... Tot zover was het in elk geval een nuttige exercitie.