Hans, dank voor deze aanvulling! Hier ga ik binnenkort mee aan de slag, ik had nog niet uigezocht hoe ik aan absolute getallen kon komen...
Mijn insteek gaat uit van wat het verstoken van een batch hout met de bell doet, en wat de bell vervolgens naar de ruimte doet. Maar dan relatief, dus ten opzichte van andere bell-uitvoeringen. De conclusie is verrassend, eenvoudig en tegelijkertijd heel lastig voor te stellen...
Vuurkern
De meeste massakachels stook je door de vuurkamer vol te stapelen met hout, dit (van bovenaf) aan te steken. De hoeveelheid hout verbrandt in een klein uur, en de warmte die vrijkomt wordt opgevangen in de massa.
De hoeveelheid hout die je per dag verbrandt, moet overeenkomen met de warmtevraag. Dat kan in 1 batch, maar in de winter kunnen dat er ook 2 of 3 zijn.
Voor het kiezen van de afmeting van de vuurkamer bereken je de warmte-behoefte van een behoorlijk koude dag (in MegaJoule), deel dat door 15 (nu krijg je het aantal kilo's hout dat per dag gestookt moet worden), en dat door het aantal batches dat je wilt stoken (bijv. 3). Nu weet je hoeveel kilo hout er in 1 batch moet passen. Kies een vuurkamer die tenminste deze hoeveelheid hout kwijt kan, maar groter mag ook.
Warmteopname in de bell
De warmte van de vuurkamer komt uit in een grote doos van steen: de bell. In de bell krijgt deze hete lucht de tijd om warmte af te geven aan de wand. De afkoelende lucht zakt steeds verder naar beneden, en de koudste lucht wordt door de schoorsteen afgevoerd.
Deze bell geeft de kachel de massa. Vrijheidsgraden zijn oppervlak en wanddikte, waaruit de massa volgt:
Massa [kg] = oppervlak [m2] * dikte [m] * soortelijk gewicht [kg/m3]
(Soortelijk gewicht beton 2400kg/m3, baksteen en leem 1450kg/m3)
Bij het verbranden van een batch hout gaat de energie die vrijkomt grotendeels in de massa zitten. Dat gaat met de formule
Q = m c dT n, oftewel Energie = massa * soortelijke warmte * temperatuursverandering * rendement. Dat rendements-getal is nodig omdat een deel van de warmte in de vuurkamer zit, en door de schoorsteen verdwijnt. Ik vermoed dat dat ergens rond de 0.9 zal liggen, in elk geval veel hoger dan de 0.7 van een stalen kachel.
(Soortelijke warmte beton 0,92 J/kgK, baksteen en leem 0,84J/kgK)
Het verschil in warmtecapaciteit tussen een kuub baksteen en beton is groot: 2400*0,92=2208J/K voor beton tegen 1450*0,84=1218J/K voor baksteen. Wil je met weinig volume veel massa kwijt, dan kan je de bell beter met betonklinkers opmetselen.
Als je de temperatuursverandering wilt weten na een bekende hoeveelheid hout en een bekende massa:
dT = Q / (m c n) (waarbij n = rendement)
Het is interessant om te weten hoe snel een kachel opwarmt na het stoken van 1 batch hout; dat geeft weer hoe snel de kachel begint met warmte afstaan aan de omgeving. Het kental “specifieke temperatuur” krijg je door de energie in een batch te delen door de massa van de bell. Hoe hoger dit getal, hoe sneller de kachel reageert op verbranden. Voor goed geisoleerde huizen met veel ramen op het zuiden is een kachel met een hogere specifieke temperatuur beter dan een lage.
Warmteafgife
Als de vuurkamer is leeggebrand, zal de bell niet verder meer opwarmen. De warmte wordt langzaam aan de omgeving afgestaan, en de bell koelt weer af. Dit afkoelen gebeurt grofweg door twee parameters: temperatuursverschil met de omgeving, en oppervlak van de bell. Hoe groter het oppervlak, hoe sneller de afkoeling, en hoe heter de bell hoe sneller de afkoeling. Je zou dat in een sterk vereenvoudigd model (Hanskraayeveld heeft een uitgebreidere versie gepost) kunnen zetten:
Qafgifte = Oppervlak * temperatuursverschil
Er is een relatie tussen oppervlak en massa van de bell: Massa = oppervlak * dikte * soortelijk gewicht , oftewel oppervlak = massa/(dikte*s.g.). Dus als ik die vergelijkingen in elkaar vlecht krijg je
Qafgifte = massa * dT / (dikte*s.g.).
Er is ook een relatie tussen massa en verschiltemperatuur met de omgeving (de temperatuur die de bell krijgt na het verstoken van 1 batch):
Qverbranding = massa * soortelijke warmte * dT, oftewel
massa * dT = Qverbranding/s.w.
Nu zijn Qverbranding en soortelijke warmte constant (starthoeveelheid hout, en een materiaalconstante) waarmee Qafgifte omgekeerd evenredig is met de dikte van de bell. Oftewel:
de dikte van de bell bepaalt het uitgaand vermogen. Daarbij maakt het niet (*) uit hoe groot de bell is!
(*) De verbrandings- en stromings-processen stellen natuurlijk wel grenzen aan de afmetingen
En nu hetzelfde, maar dan grafisch
Ik zal een poging doen om bovenstaand met plaatjes uit te leggen.
We maken 4 verschillende bellen met dezelfde vuurkamer. A en B hebben dezelfde wanddikte, maar B heeft een half zo groot oppervlak. C en D hebben dezelfde oppervlakten als resp. A en B, maar een 2x zo dikke wand.
gm1.png
We verwarmen elke bell met dezelfde hoeveelheid hout. A en D hebben dezelfde massa, dus die hebben dezelfde maximum temperatuur. B is het lichtst, die eindigt het hoogst, en C is het zwaarst, die houdt de laagste maximale temperatuur.
gm2.png
Vervolgens koelen deze bellen af in een kamer van 20 graden.
Omdat A een groot oppervlak heeft, gaat dat best snel. B heeft een kleiner oppervlak, maar is veel heter en heeft minder massa. Dat afkoelen gaat dus een stuk sneller dan A!
C heeft evenveel massa als A, maar een lagere temperatuur en meer massa. Het afkoelen gaat dus langzamer dan A. En D heeft een gelijke temperatuur aan A, een gelijke massa en minder oppervlak. Dus D koelt langzamer af dan A.
En dan komt nu de grote verrassing. Als je gaat kijken naar het afgegeven vermogen, dan moet je de grafieken vermenigvuldigen met het oppervlak.
gm3.png
Bell B heeft de helft van het oppervlak van A, dus deel de waarden (t.o.v. 20 graden!) door 2. Hetzelfde geldt voor D ten opzichte van C. En wat zie je: het maakt niet uit hoe groot de bell is: de dikte bepaalt het uitgaande vermogen!
Stelling 5: de dikte van de bell bepaalt het uitgaand vermogen. Wil je een snellere kachel, maak dan de wand van de bell dunner. Wil je een tragere kachel, maak de wand van de bell dikker.
Stelling 6: hoe groter de massa van de kachel ten opzichte van de batch-stookwaarde, hoe lager de temperatuur van de bell blijft. Wil je een niet te warme bell: maak hem groot. Wil je een warmere bell: maak hem klein.
Natuurlijk zijn er grenzen: de stroomsnelheid van rookgassen moet niet te hoog worden in de bell (dat verstoort de gelaagdheid), en de bell moet minimaal 70 graden aan de binnenzijde worden tijdens een stook om condens te voorkomen, en misschien zijn er nog wel andere grenzen die ik niet ken).